Google ClassroomGoogle Classroom
GeoGebraGeoGebra Classroom

zwevingen bij bijna gelijke tonen

zwevingen

Twee tonen die nauwelijks van elkaar verschillen ervaren we als heel onaangenaam. Maar hoe ziet de grafiek van zo een trilling er uit?

somregel

Wanneer een la (220 Hz) samenklinkt met geluidstrilling van 216 Hz hoor je een zwevende toon. Met de regel van Simpson kan je de som schrijven als een functie met twee factoren: een sinusfactor en een cosinusfactor.
  • De sinusfactor is de snelle trilling met een frequentie van 218 Hz (het gemiddelde van de twee). Het is deze factor die de toonhoogte bepaalt, net iets lager dan de la van 220 Hz. Merkwaardig is dat je dus geen twee aparte tonen hoort, maar slechts één toon.
  • Deze sinusgrafiek oscilleert tussen de twee cosinusfuncties g1 en g2 = - g1. De functie g1 vinden we terug als de cosinusfactor van de somfunctie.
Deze cosinusfactor heeft een veel kleinere en dus veel grotere periode dan de sinusfunctie die de toonhoogte bepaalt. Hij speelt de rol van amplitude. De absolute waarde van de cosinusfactor neemt 4 keer per seconde de maximale waarde 2 aan. De wijzigende amplitude van de toon die we horen, nemen we waar als een constant veranderende geluidsterkte, met andere woorden als zwevingen.
  • Het aantal zwevingen per seconde is gelijk aan het frequentieverschil.
  • M.a.w.: Hoe kleiner het verschil tussen de twee tonen, hoe langzamer deze zwevingen. Gitaarsnaren kan je op deze manier stemmen door deze zwevingen weg te werken.