W eigenschappen omtrekshoek
Formuleer de eigenschap bij bovenstaand applet.
Zorg met de applet voor het eenvoudige geval dat M ligt op het been [AC. Nu kom je er met hoekrekenen. Noem de hoek in A α.
Zorg met de applet voor het geval dat M binnen de omtrekshoek ligt. Toon met het aanvinkvakje de lijn AM. Hoe herken je de eerste eenvoudige situatie in deze situatie?
Zorg met de applet voor het geval dat M buiten de omtrekshoek ligt. Toon met het aanvinkvakje de lijn AM. Hoe herken je de eerste eenvoudige situatie in deze situatie?
Zorg met de applet voor het geval dat M buiten de omtrekshoek ligt. Toon met het aanvinkvakje de lijn AM. Hoe herken je de eerste eenvoudige situatie in deze situatie?
Zorg met de applet voor het geval dat M buiten de omtrekshoek ligt. Toon met het aanvinkvakje de lijn AM. Hoe herken je de eerste eenvoudige situatie in deze situatie?
Zorg met de applet voor het geval dat M buiten de omtrekshoek ligt. Toon met het aanvinkvakje de lijn AM. Hoe herken je de eerste eenvoudige situatie in deze situatie?
Verplaats C en D zodat ze een middellijn vormen. Zo wordt de middelpuntshoek 180°. Hoe groot is de omtrekshoek? Formuleer deze eigenschap.
Formuleer de eigenschap bij bovenstaand applet
Verklaar de eigenschap. Gebruik (indien nodig) het aanvinkvakje.